blanda

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Blanda


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blan·da
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blanda blanda's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

blanda m

  1. (Nederlands-Indië) iemand uit Holland, Nederland of Europa
     We zijn allebei voor een zestiende Javaans, terwijl we er al die tijd van overtuigd waren geweest dat de ander een volbloed blanda was.[2]
  2. (Nederlands-Indië) (pejoratief) iemand uit Nederland of Europa die zich de cultuur van een tropisch land onvoldoende eigen heeft gemaakt
     En één meneer heeft tralies voor het slaapkamerraam laten maken. Zo gek ja? Natuurlijk een blanda![3]
Synoniemen

Gangbaarheid

23 % van de Nederlanders;
6 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. blanda op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 18 mei 2020 Weblink bron Peter van Straaten “Indo’s” (13 april 2012) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 18 mei 2020 Weblink bron Vincent Mahieu (ps. Jan Boon/Tjalie Robinson) Schuilen voor de regen II : De onbekenden in: Verzameld werk. (1992), Querido, Amsterdam, p. 300
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Spaans

Bijvoeglijk naamwoord

blanda

  1. vrouwelijk enkelvoud van blando

Werkwoord

vervoeging van
blandir

blanda

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van blandir
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van blandir
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van blandir


Zweeds

Werkwoord

blanda

  1. mengen