biljett

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • bil·jett

Zelfstandig naamwoord

biljett g

  1. ticket, kaartje
    «Du måste ha biljett för att få åka med tågen.»
    Je moet een kaartje hebben om met de trein mee te mogen.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   biljett     biljetten     biljetter     biljetterna  
genitief   biljetts     biljettens     biljetters     biljetternas  
Afgeleide begrippen