bezoedelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoe·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezoedelen
bezoedelde
bezoedeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bezoedelen

  1. (overgankelijk) te schande maken
    De goede naam werd door dit geval bezoedeld.
  2. (overgankelijk) vuil maken
    Het riviertje was met olie bezoedeld.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl