bezoedelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoe·de·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bevlekken’ voor het eerst aangetroffen in 1562 [1]
  • afkomstig uit het Duits besudeln (met het voorvoegsel be-) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezoedelen
bezoedelde
bezoedeld
zwak -d volledig

Werkwoord

bezoedelen

  1. overgankelijk te schande maken
    • De goede naam werd door dit geval bezoedeld. 
  2. overgankelijk vuil maken
    • Het riviertje was met olie bezoedeld. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen