bezet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zet
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van bezetten: de stam zonder -t omdat de stam al op -t eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel [1]

Werkwoord

vervoeging van
bezetten

bezet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van bezetten
  2. gebiedende wijs van bezetten
vervoeging van: bezetten…
verbogen vorm: bezette

bezet

  1. voltooid deelwoord van bezetten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bezet bezetter bezetst
verbogen bezette bezettere bezetste
partitief bezets bezetters -

Bijvoeglijk naamwoord

bezet

  1. gedomineerd door de aanwezigheid van een vreemd leger
    • Er worden nederzettingen gebouwd in de bezette gebieden. 
     In Nederland duurde die oorlog van het jaar 1940 tot 1945. Nederland was bezet door Duitsland. De Duitsers waren de baas over Nederland. Het was een heel moeilijke tijd. Er vielen veel doden. Ieder jaar worden de slachtoffers van de oorlog herdacht op 4 mei. En ieder jaar wordt op 5 mei gevierd dat Nederland een vrij land is.[2]
  2. bezig, niet beschikbaar
    • Sorry! u kunt hier niet plaats nemen want deze plaats is al bezet. 
     'Dertig jaar geleden zat het hier helemaal vol', zegt Claudette Bonin (60), serveerster van het Relais des Routier in Dordives. Nu zijn een paar tafels bezet voor de lunch.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. bezet op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron nieuwsbegrip.nl “75 jaar vrijheid in Nederland” (2-9-2019), CED-groep
  3. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant