bewonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van wonen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewonen
bewoonde
bewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

bewonen

  1. overgankelijk wonen in, wonen op
    • Dit volk bewoonde een aantal eilanden en een stuk van het vasteland. 
    • Ik bewoonde tot mijn 18de jaar mede het huis van mijn ouders. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.