bewonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wo·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van wonen met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewonen
bewoonde
bewoond
zwak -d volledig

Werkwoord

bewonen

  1. (overgankelijk) wonen in, wonen op
    Dit volk bewoonde een aantal eilanden en een stuk van het vasteland.
    Ik bewoonde tot mijn 18de jaar mede het huis van mijn ouders.
Afgeleide begrippen
Vertalingen