bevoorraden

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·voor·ra·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevoorraden
bevoorraadde
bevoorraad
zwak -d volledig

Werkwoord

bevoorraden

  1. overgankelijk voorzien van benodigdheden
    • De van de buitenwereld afgesneden stad kon enige tijd niet bevoorraad worden. 
  2. wederkerend zich ~; zichzelf van de nodige zaken voorzien
    • Hij bevoorraadde zich met genoeg voedsel om de winter door te komen. 
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be