bevolkt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·volkt
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van bevolken: de stam met de uitgang -t, zonder ge- vanwege voorvoegsel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bevolkt bevolkter meest bevolkt
verbogen bevolkte bevolktere meest bevolkte

Bijvoeglijk naamwoord

bevolkt

  1. waar volk zich bevindt
    • Het ongeluk vond plaats in een bevolkt gebied. 
Antoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bevolken

bevolkt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bevolken
    • Jij bevolkt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bevolken
    • Hij bevolkt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van bevolken
    • Bevolkt! 
  4. voltooid deelwoord van bevolken

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.