bevolkte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·volk·te

Bijvoeglijk naamwoord

bevolkte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van bevolkt

Werkwoord

vervoeging van
bevolken

bevolkte

  1. enkelvoud verleden tijd van bevolken
    • Ik bevolkte. 
    • Jij bevolkte. 
    • Hij, zij, het bevolkte.