besøk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·søk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van het Noorse werkwoord besøke met het voorvoegsel be-
Naar frequentie 1242

Werkwoord

besøk

  1. gebiedende wijs van besøke
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   besøk     besøket     besøk     besøka
besøkene  
genitief   besøks     besøkets     besøks     besøkas
besøkenes  

Zelfstandig naamwoord

besøk

  1. bezoek
    «Hun er glad for å få lillesøsteren på besøk
    Ze is blij zijn jongst zusje op bezoek te hebben.
  2. toestroom
  3. bezoekers
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

besøk, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van besøk


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·søk
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

besøk

  1. gebiedende wijs van besøka

Werkwoord

besøk

  1. gebiedende wijs van besøke

Werkwoord

besøk

  1. gebiedende wijs van besøkja

Werkwoord

besøk

  1. gebiedende wijs van besøkje
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   besøk     besøket     besøk     besøka  

Zelfstandig naamwoord

besøk

  1. bezoek
  2. toestroom
  3. bezoekers
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

besøk, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van besøk