beminnelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·min·ne·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beminnelijk beminnelijker beminnelijkst
verbogen beminnelijke beminnelijkere beminnelijkste
partitief beminnelijks beminnelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

beminnelijk

  1. (van personen) aardig in de omgang
    • Mijn beminnelijke buurmeisje groette me vrolijk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.