beluisteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·luis·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beluisteren
beluisterde
beluisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

beluisteren

  1. overgankelijk aandachtig naar iets luisteren om iets goed te kunnen begrijpen en aanvoelen
    • De opnames werden beluisterd om bewijsmateriaal te vinden. 
    • Ik beluister enige woede in je stem. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.