belezer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·le·zer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord belezer belezers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

belezer m [1]

  1. iemand die zaken (met een toverspreuk) onder controle probeert te krijgen of te houden
  2. exorcist, duiveluitdrijver
  3. (mythologie) iemand die kan genezen door handoplegging
     Op het platteland was in vrijwel elk gehucht wel iemand die hulp kon bieden bij kleine kwalen als verstuikingen, wratten, brandwonden, kiespijn en dergelijke. Onder het prevelen van zorgvuldig geheim gehouden bezweringen werd dan 'de hand opgelegd'. Het ging hier meestal om mannen, maar ook enkele vrouwen stonden bekend als 'strijker' of 'belezer'.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Piet de Rooy “Handopleggers en pleisterjuffrouwen” (14 januari 2000), de Volkskrant