belezen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·le·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • (bijv. nw.) quasi een voltooid deelwoord, afgeleid van lezen met het voorvoegsel be-
  • (ww.) van Middelnederlands belesen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen belezen belezener belezenst
verbogen belezenste
partitief belezens belezeners -

Bijvoeglijk naamwoord

belezen

  1. veel door lezen kennis opgedaan hebbend
    Sinds hij wat belezener geworden is, is het het stuk aangenamer met hem te converseren.
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belezen
belas
belezen
klasse 5 volledig

Werkwoord

belezen

  1. bezweren, een geest uitdrijven door een gebed over iemand uit te spreken

Werkwoord

vervoeging van
belezen

belezen

  1. voltooid deelwoord van belezen