belezen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·le·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • (bijv. nw.) quasi een voltooid deelwoord, afgeleid van lezen met het voorvoegsel be-
  • (ww.) van Middelnederlands belesen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen belezen belezener belezenst
verbogen belezenste
partitief belezens belezeners -

Bijvoeglijk naamwoord

belezen

  1. veel door lezen kennis opgedaan hebbend
    • Sinds hij wat belezener geworden is, is het het stuk aangenamer met hem te converseren. 
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belezen
belas
belezen
klasse 5 volledig

Werkwoord

belezen

  1. bezweren, een geest uitdrijven door een gebed over iemand uit te spreken

Werkwoord

vervoeging van
belezen

belezen

  1. voltooid deelwoord van belezen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.