bebossen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bebossen bebossend
bebossing bebost


Woordafbreking
  • be·bos·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van bos met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bebossen
beboste
bebost
zwak -t volledig

Werkwoord

bebossen

  1. (overgankelijk) met bomen bedekken
    De Israëli's deden hun best een deel van de kale heuvels te bebossen.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen