babyboom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·by·boom
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels: Samenstelling van baby en boom
enkelvoud meervoud
naamwoord babyboom babybooms
verkleinwoord babyboompje babyboompjes

Zelfstandig naamwoord

babyboom m

  1. (demografie) een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
  2. (specifiek) de opleving van het geboortecijfer gedurende de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa en de Verenigde Staten
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie