archeoloog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·cheo·loog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord archeoloog archeologen
verkleinwoord archeoloogje archeoloogjes

Zelfstandig naamwoord

archeoloog m

  1. (beroep) iemand die archeologie heeft gestudeerd
    • Op de vindplaats zijn ook speren en resten gevonden uit de bronstijd van 1100 tot 800 voor Christus, aldus het schap dinsdag. Archeologen gaan de plek nu verder onderzoeken.[1] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 25 nov. 2014 Prehistorische boerderij langs IJsseldijk
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be