arceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lijnen trekken’ voor het eerst aangetroffen in 1604 [1]
  • afgeleid van het Franse hacher (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
arceren
arceerde
gearceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

arceren

  1. overgankelijk een vlak vullen met een stel fijne lijntjes op regelmatige afstanden evenwijdig aan elkaar
    • Door een vlak te arceren wordt er een indruk van licht en donker geschapen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen