arceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lijnen trekken’ voor het eerst aangetroffen in 1604 [1]
  • afgeleid van het Franse hacher (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
arceren
arceerde
gearceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

arceren

  1. overgankelijk een vlak vullen met een stel fijne lijntjes op regelmatige afstanden evenwijdig aan elkaar
    • Door een vlak te arceren wordt er een indruk van licht en donker geschapen. 
     Er ontvouwde zich een geraffineerd panorama bij de bocht. Aan het einde van de kade langs de gracht, die met eenvoudige meerpalen van blank hout was gearceerd, was de slanke boog van de Ponte del Gafaro getekend voor de oudroze gevel van een laag palazzo, die was voorzien van zeven hoge puntige ramen in een witmarmeren sponning en werd bekroond met de klokkentoren van een kerk daarachter.[4]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen