arquer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| arquer |
arquais |
arqué |
| eerste groep | volledig | |
arquer
- overgankelijk in de vorm van een boog zetten; in een boogvorm buigen
- onovergankelijk buigen; krommen
- onovergankelijk (spreektaal) lopen
- «Ch’uis crevé, j’ai plus envie d’arquer.»
- Ik ben kapot, ik heb geen zin meer om te lopen. [2]
- «Ch’uis crevé, j’ai plus envie d’arquer.»
- wederkerend s'~: zich krommen [2]; zich welven [3]