Naar inhoud springen

apostel

Uit WikiWoordenboek
  • apos·tel
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘Godsgezant’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • via het Latijn uit het Grieks, van stellein (zenden) met het voorvoegsel apo-, [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord apostel apostels
apostelen
verkleinwoord aposteltje aposteltjes

deapostelm

  1. elk van de voornaamste twaalf leerlingen van Jezus en eerste verkondigers van het christendom
     Zoals de apostel Paulus schreef: Want het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst.[3]
     Kierkegaard ontleent dat begrip aan het Nieuwe Testament, waarin de apostel Jakobus in een brief tweemaal spreekt van wat de Statenvertaling 'dubbelhartig' noemt en de nieuwere Bijbelvertaling 'innerlijk verdeeld'.[4]
  2. (religie) verkondiger van een nieuwe leer
     Elisabeth werd ook verliefd op een van de studenten van haar vader, Daniel Solander (niet te verwarren met Daniel Rolander, de schuwe apostel uit Suriname), die haar liefde beantwoordde en haar ten huwelijk vroeg.[5]
  3. (scheepvaart) steunhout aan de voorsteven van een schip [6]
96 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]