aft

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aft
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aft aften
verkleinwoord aftje aftjes

Zelfstandig naamwoord

aft v/m

  1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
    • Ongeveer één op de tien mensen heeft geregeld een aft. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak


Woordafbreking
  • aft

Zelfstandig naamwoord

aft

  1. genitief meervoud van afta.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl