afschermen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·scher·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afschermen
schermde af
afgeschermd
zwak -d volledig

Werkwoord

afschermen

  1. overgankelijk beschermen door het verborgen te houden
    • De bekende acteur schermt zijn privéleven zorgvuldig af. 
    • De politie schermt de identiteit van tipgevers onvoldoende af. 
  2. overgankelijk met een scherm scheiden, omsluiten
    • De nieuwe dam schermt het gebied af van de rivier. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.