Naar inhoud springen

afruimen

Uit WikiWoordenboek
  • af·rui·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afruimen
ruimde af
afgeruimd
zwak -d volledig

afruimen

  1. overgankelijk de resten van een genuttigde maaltijd van de tafel halen
    • Ze hadden de tuintafel nog niet helemaal afgeruimd toen de regenbui losbarstte. 
     Het leek alsof de stevige en weelderige serveerster de vraag had begrepen, want ze sloop op haar tenen rond de tafel en ruimde stilletjes de lege bierglazen af.[1]
     En inderdaad, op de tweede dag kregen ze tijdens het afruimen van de eettafel slaande ruzie en werd Hbib door een razende Isabelle naar buiten gestuurd Autorijden kon hij niet, hij kon daarom niet naar het dichtstbijzijnde dorp rijden om zich te bezatten en thuis was ver te zoeken, dus stormde hij in een bezweet hemd en op teenslippers blindelings de schemering in.[2]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044633535
  2. Safae el Khannoussi
    “Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim op Wikipedia, ISBN 9789493339125
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be