afkorten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·kor·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkorten
kortte af
afgekort
zwak -t volledig

Werkwoord

afkorten

  1. overgankelijk, (taalkunde) kortere versies voor veelgebruikte woorden of woordgroepen bedenken
    • Het woord "bijvoorbeeld" wordt vaak afgekort tot "bijv.". 
  2. overgankelijk korter zagen van planken, dwars op de vezel
    • Voordat hij de balk afkortte, tekende hij hem secuur af. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie