afkoelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·koe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkoelen


koelde af


afgekoeld


zwak -d volledig

Werkwoord

afkoelen

  1. (ergatief) kouder worden
    Het water koelde langzaam af.
  2. (overgankelijk) kouder doen worden
    Hij koelde de hete plaat af door er water op te gooien.
  3. minder boos worden
    Het was moeilijk de verhitte gemoederen af te koelen.
Vertalingen