afkoelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·koe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkoelen
koelde af
afgekoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

afkoelen

  1. ergatief, (onpersoonlijk) kouder worden
    • Het water koelde langzaam af. 
  2. overgankelijk kouder doen worden
    • Hij koelde de hete plaat af door er water op te gooien. 
  3. (figuurlijk) minder boos worden
    • Het was moeilijk de verhitte gemoederen af te koelen. 
  4. (kookkunst) een warme bereiding kouder laten worden
    • Je moet de pudding afkoelen om ze stijver te laten worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.