afbreker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bre·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afbreker afbrekers
verkleinwoord afbrekertje afbrekertjes

Zelfstandig naamwoord

afbreker m [1]

  1. iemand die iets kapot maakt of vernietigt
    • ‘Hopelijk heeft de afbreker met deze bijdrage iets opgebouwd', schreef de aankomende burgemeester van Antwerpen op het einde van zijn essay ‘Afbreken om op te bouwen'. [2] 
    • Peumans zou die journalist, néé: Guy, daar in de Schelp donderdag omschrijven als ‘niet anti, wel kritisch’. Het spoort met wat zijn ex-collega Rolf Falter ons vertelde: ‘Guy is geen afbreker, hij bouwt graag op.’ [3] 
    • De welvaartsstaat doet denken aan mijn vorige functie bij Voka. We werden in de hoek van de afbrekers gezet, terwijl ik de welvaartsstaat net beschouw als de hoogste uiting van humanisme. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 27 DECEMBER 2012 Peter Vantyghem De Wever kruist degens met kunstwereld
  3. De Standaard 02 MEI 2015 Filip Rogiers, foto’s Fred Debrock ‘Je moet ze nijpen, niet dooddoen’
  4. De Standaard 13 JUNI 2015 Michiel Leen Het dilemma