achterbuurman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·buur·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achterbuurman achterbuurmannen
achterbuurlieden
achterbuurlui
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

achterbuurman m

  1. de buur die met de achtertuin aan de eigen tuin grenst
     `Dat is een vrijbiljet voor een gedelegeerdenwagon,'zei de achterbuurman van Antonina Aleksandrovna, die over haar schouder het stempel op de pas had ontcijferd.[1]
     De gebeurtenis heeft volgens Jeuring, achterbuurman van het getroffen gezin, een gigantische impact gehad in de buurt. "Dat blijkt al uit de hoeveelheid bloemen bij het huis. Met Oud en Nieuw was het ook veel rustiger dan andere jaren, mensen bleven binnen."[2]


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028261396
  2. Bronlink geraadpleegd op 30 maart 2022 Weblink bron Randy Beaumont “Inzamelingsactie fatale brand Emmen: 'Lijkt wel alsof hele land meeleeft'” (03-01-2018), NOS