absenteïsme

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·sen·te·is·me
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord absenteïsme -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

absenteïsme o

  1. het (te veel) afwezig zijn
    • Het absenteïsme van die leerling groeide sterk. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen