aanwas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·was
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanwas aanwassen
verkleinwoord aanwasje aanwasjes

Zelfstandig naamwoord

aanwas m [2]

  1. (waterbeheer) het groter worden door aanslibbing
      Immers, het bestaan van begroeiing bewijst op een aanwassenden toestand, waarvan de oevereigenaar weldra de vruchten zou hebben geplukt, als hel Rijk niet met zijn kribben tusschen beide was gekomen. Verder wordt bepaald dat de ‘’’aanwas’’’ bevorderende werking van kribben zich uitstrekt stroomopwaarts over 1 1/2, stroomafwaarts over 2 1/2 maal de lengte van het werk[3]
  2. aangroei
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanwassen

aanwas

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwassen
    • ... dat ik aanwas. 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. aanwas op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 25-12-2021 Weblink bron Grensregeling der Pruisisch-Nederlandsche polders Duffelt en Querdamm bjj Wyler (20 januari 1906) in: De Ingenieur op Wikipedia, jrg. 21 nr. 3, blz. 48
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be