aanwas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·was
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanwas aanwassen
verkleinwoord aanwasje aanwasjes

Zelfstandig naamwoord

aanwas m

  1. het groter worden door aanslibbing
  2. aangroei
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanwassen

aanwas

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwassen
    • ... dat ik aanwas. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen