aanpasbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pas·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanpasbaar meer aanpasbaar meest aanpasbaar
verbogen aanpasbare meer aanpasbare meest aanpasbare

Bijvoeglijk naamwoord

aanpasbaar

  1. in staat om zich aan te passen
    De woning moet daarvoor toegankelijk, doorgankelijk, bruikbaar en aanpasbaar zijn.[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. Beld, H.K. van den; D. van Zalk (2010). Essenties voor samenwerking in wonen en zorg / druk 1: realiseer meer en beter woonzorgvastgoed, p. 25. Uitg.: Springer, ISBN 9789031376292.
Vertalingen