aanpasbaars

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pas·baars

Bijvoeglijk naamwoord

aanpasbaars

  1. partitief van de stellende trap van aanpasbaar
    • Dat is iets aanpasbaars... 

Gangbaarheid