aankomend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ko·mend
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aankomend
verbogen aankomende
partitief aankomends - -

Bijvoeglijk naamwoord

aankomend

  1. aanstaand
    • Hij zou wel eens de aankomende voorzitter van onze vereniging kunnen zijn. 
    • Aanstaande woensdag komen mijn kinderen eten. 
  2. opgroeiend
    • Hij was een jong en veelbelovend aankomend talent. 
Uitdrukkingen en gezegden

[1] Aankomend minister van Buitenlandse Zaken.

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aankomen

aankomend

  1. onvoltooid deelwoord van aankomen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.