aanstaand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • aan·staand
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanstaand
verbogen aanstaande
partitief aanstaads - -

Bijvoeglijk naamwoord

aanstáánd

  1. eerstvolgend, komend
    De volgende vergadering zal aanstaande maandag plaats vinden.
    De aanstaande moeder verwacht over één maand haar baby.
    De aanstaande president wordt morgen gekozen.
Vertalingen

Deelwoord

deelwoord
onverbogen aanstaand
verbogen aanstaande
vervoeging van
aanstaan

áánstaand onvoltooid deelwoord van aanstaan

  1. attributief gebruikt dat wat aanstaat
    De brand ontstond na kortsluiting in een aanstaande televisie.