aanstaand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • aan·staand
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanstaand
verbogen aanstaande
partitief aanstaands - -

Bijvoeglijk naamwoord

aanstáánd

  1. eerstvolgend, komend
    • De volgende vergadering zal aanstaande maandag plaats vinden. 
    • De aanstaande moeder verwacht over één maand haar baby. 
    • De aanstaande president wordt morgen gekozen. 
Vertalingen

Deelwoord

deelwoord
onverbogen aanstaand
verbogen aanstaande
vervoeging van
aanstaan

áánstaand onvoltooid deelwoord van aanstaan

  1. attributief gebruikt dat wat aanstaat
    • De brand ontstond na kortsluiting in een aanstaande televisie. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.