opgroeiend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·groei·end

Werkwoord

vervoeging van
opgroeien

opgroeiend

  1. onvoltooid deelwoord van opgroeien
stellend
onverbogen opgroeiend
verbogen opgroeiende
partitief opgroeiends

Bijvoeglijk naamwoord

opgroeiend

  1. van een kind dat het ouder en volwassener wordt
    • Die van Carrell, een prachtig persoonlijk boek over de liefdevolle, maar evenzeer moeizame relatie tussen een opgroeiend meisje en een vermaarde vader. 'Ik keer altijd bij hem terug. Wat ik ook doe, waar ik ook ben.' [1] 
    • De Raad voor de Kinderbescherming meent dat het beter voor het kind is dat het weggehaald wordt bij de wensouders. "Het is voor een opgroeiend kind van fundamenteel belang helderheid te hebben over zijn ontstaansgeschiedenis", zei directeur Marie-Louise van Kleef. [2] 
    • Minister Henk Kamp (Sociale Zaken) hoopt de armoedeval op te lossen voor alleenstaande ouders in de bijstand die gaan werken. Hij wil hiervoor flink het mes zetten in de kindregelingen en deze terugbrengen van twaalf naar vier verschillende voorzieningen voor ouders met opgroeiend kroost. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen