aaneenhangen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·een·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aaneenhangen
hing aaneen
aaneengehangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aaneenhangen

  1. absoluut losjes aan elkaar hangen, vooral figuurlijk
    • Het wielrennen hangt aaneen van de mythische verhalen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • van leugens aaneenhangen
louter uit leugens bestaan
Vertalingen

Gangbaarheid