Zwitser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • Zwit·ser
enkelvoud meervoud
naamwoord Zwitser Zwitsers
verkleinwoord Zwitsertje Zwitsertjes

Zelfstandig naamwoord

Zwitser m

  1. (demoniem) een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
     Toevallig had ik aan het zwembad een gesprek gevoerd met een Zwitser, Wale, die met zijn gezin in een camper een rondreis maakte.[1]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Geen geld, geen Zwitsers
er is altijd wel geld nodig om iets gedaan te krijgen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia