Obstbaum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈoːpst.ˌbaʊ̯m/
Woordafbreking
  • Obst·baum
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

Obstbaum m

  1. (plantkunde) fruitboom
    «Ich liebe die Streuobstwiesen mit ihren unzähligen Obstbäumen
    Ik hou van de boomgaarden met hun ontelbare fruitbomen.
Verbuiging
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen