zegen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ze·gen
Woordherkomst en -opbouw
- [2] goddellijke of bovennatuurlijke bijstand
- Afgeleid van signum(Latijn). Bij het uitspreken van de zegen werd een christelijk kruisteken gegeven.
- [4] visnet
- West-Germaans *sagina < Latijn sagena < Oudgrieks σαγήνη ("sleepnet"), van onbekende oorsprong.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zegen | zegens |
| verkleinwoord | zegentje | zegentjes |
Zelfstandig naamwoord
zegen
- m het verlenen van een goddelijke of bovennatuurlijke bijstand.
- Er rustte een zegen op zijn gehele huis.
- m het afroepen van [1] over iemand, met name door een lid van de geestelijkheid.
- De voorganger eindigde de dienst met het uitspreken van de zegen.
- m een voordeel of gelukkige omstandigheid die aan [1] toegekend wordt.
- Dat je weer op de been bent is echt een zegen!
- «Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens).»
- v/m (visserij) vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen het netwerk met een, al dan niet van een inkeling voorziene uitstulping of zak en waarvan de aan de boven- en onderpees bevestigde lijnen een lengte van ten hoogste 100 m hebben of, in geval de bovenpees langer is, niet langer dan de lengte van de bovenpees.[1]
Vertalingen
1. goddelijke begunstiging
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zijgen |
zegen
- meervoud verleden tijd van zijgen
- Wij zegen.
- Jullie zegen.
- Zij zegen.
- Wij zegen.
| vervoeging van |
|---|
| zegenen |
zegen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
- Ik zegen.
- gebiedende wijs van zegenen
- Zegen!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegenen
- Zegen je?