zijgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·gen
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: sigen, zigen
Germaans: -
Indo-Europees: -
  • Verwant in Germaans:
West:
Angelsaksisch: sigan
Oudhoogduits: sigan, Duits: seigen
Noord: Oudnoors: síga
IJslands: síga
  • Andere Indo-Europese talen
Helleens: Oudgrieks: ἰκμάς
Italisch: Latijn: siare
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zijgen
zeeg
gezegen
klasse 1 volledig

Werkwoord

zijgen

  1. (ergatief) naar beneden zakken, zich laten vallen
    Zwijgend, traag als was het aarzlen,.
    Zijgen d'eerste vlokken,... - Sneeuw II -- Felix Timmermans.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen