zijgen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zij·gen
Woordherkomst en -opbouw
|
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zijgen |
zeeg |
gezegen |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
zijgen
- (ergatief) naar beneden zakken, zich laten vallen
- Zwijgend, traag als was het aarzlen,.
- Zijgen d'eerste vlokken,... - Sneeuw II -- Felix Timmermans.