verpandde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·pand·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| verpanden |
verpandde
- enkelvoud verleden tijd van verpanden
- Ik verpandde.
- Jij verpandde.
- Hij, zij, het verpandde.
- Ik verpandde.