streek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- streek
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | streek | streken |
| verkleinwoord | streekje | streekjes |
Zelfstandig naamwoord
streek m
- een gebied met een eigen karakter
- Deze streek is bekend om zijn bollenteelt.
- een handige manipulatie
- Wat een gemene streek is dat!
- een veeg of streep met een werktuig
- Met een paar streken zette de kunstenaar een goedgelijkende afbeelding op het doek.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] landstreek, streekproduct, streektaal
- [3] neerstreek, opstreek, veeg, vioolstreek
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- uit zuidelijker streken
Vertalingen
1. een gebied met een eigen karakter
uit zuidelijker streken
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| strijken |
streek
- enkelvoud verleden tijd van strijken
- Ik streek.
- Jij streek.
- Hij, zij, het streek.
- Ik streek.