streek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • streek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord streek streken
verkleinwoord streekje streekjes

Zelfstandig naamwoord

streek m

  1. een gebied met een eigen karakter
    Deze streek is bekend om zijn bollenteelt.
  2. een handige manipulatie
    Wat een gemene streek is dat!
  3. een veeg of streep met een werktuig
    Met een paar streken zette de kunstenaar een goedgelijkende afbeelding op het doek.
Uitdrukkingen en gezegden
  • uit zuidelijker streken
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
strijken

streek

  1. enkelvoud verleden tijd van strijken
    Ik streek.
    Jij streek.
    Hij, zij, het streek.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen