gebied
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·bied
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gebied | gebieden |
| verkleinwoord | gebiedje | gebiedjes |
Zelfstandig naamwoord
gebied o
- een deel van het aardoppervlak
- Het gebied tussen twee huizen.
- alle dingen die behoren tot een tak van het onderwijs, de kunst en/of de wetenschap
- Het gebied van de wiskunde en aanverwante bètadisciplines.
Synoniemen
- [1, 2] terrein
Afgeleide begrippen
- [1] leefgebied
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een deel van het aardoppervlak
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| gebieden |
gebied
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
- Ik gebied.
- gebiedende wijs van gebieden
- Gebied!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
- Gebied je?
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gebied | gebiede |
Zelfstandig naamwoord
gebied
- gebied
- «Paaie word sedert vanoggend opgeruim om toegang tot die gebiede te kry.»
- Wegen worden sinds vanmorgen opgeruimd om toegang tot de gebieden te krijgen.
- «Paaie word sedert vanoggend opgeruim om toegang tot die gebiede te kry.»