stick
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stick
Woordherkomst en -opbouw
- Leenwoord uit het Engels.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stick | sticks |
| verkleinwoord | stickje | stickjes |
Zelfstandig naamwoord
stick m
- staafvormig voorwerp
- (sport) een slaghout bij (ijs)hockey, een hockeystick
- Bij hockey wordt gebruik gemaakt van sticks.
- (sport) idem gebruikt bij golf, een golfclub
- (informatica) een USB-stick of memorystick
- Geef me je stickje maar even, dan kan ik de bestanden kopiëren.
- een wietstick of joint (meestal stickie genoemd)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Engels
Uitspraak
- Geluid: stick (VS) (hulp, bestand)
- IPA: /stɪk/
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| stick | sticks |
Zelfstandig naamwoord
stick
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to stick |
| he/she/it | sticks |
| verleden tijd | sticked |
| voltooid deelwoord |
sticked |
| onvoltooid deelwoord |
sticking |
| gebiedende wijs | stick |
Werkwoord
stick