stick

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stick
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord stick sticks
verkleinwoord stickje stickjes

Zelfstandig naamwoord

stick m

  1. een slaghout bij (ijs)hockey.
    Bij hockey wordt gebruik gemaakt van sticks.
  2. een USB-stick.
    Geef me je stickje maar even, dan kan ik de bestanden kopiëren.
Afgeleide begrippen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stick sticks

Zelfstandig naamwoord

stick

  1. stok
  2. tak
vervoeging
onbepaalde wijs to stick
he/she/it sticks
verleden tijd sticked
voltooid
deelwoord
sticked
onvoltooid
deelwoord
sticking
gebiedende wijs stick

Werkwoord

stick

  1. steken
  2. plakken
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen