stok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stok stokken
verkleinwoord stokje stokjes

Zelfstandig naamwoord

stok m

  1. langwerpig voorwerp om te stoten, slaan, aanraken, aangeven (van toon), steken, te likken of te prikken
  2. (spel) voorraad speelkaarten die na het rondgeven overblijven en waarvan men kan nemen of kopen
  3. een gedeelte van een stuk (effect, cheque) zonder het betalings- of ontvangstbewijs, souche, talon
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie