steken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ste·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| steken /'stekə(n)/ |
stak /stɑk/ |
gestoken /ɣə'stokə(n)/ |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
steken
- (overgankelijk) doorboren, prikken
- Hij stak het mes diep in het vlees.
- (overgankelijk) in brand ~: doen ontvlammen
- De invallers staken het hele dorp in brand.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- met iemand of iets de draak steken
iemand bespotten
Vertalingen
1. doorboren, prikken
2. doen ontvlammen
met iemand of iets de draak steken
|
Zelfstandig naamwoord
steken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord steek