stemmen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| stemmen | stemmend |
| stemming | gestemd |
Uitspraak
Woordafbreking
- stem·men
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stemmen |
stemde |
gestemd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
stemmen
- (inergatief) deelnemen aan een verkiezing
- Ben je al wezen stemmen?
- (overgankelijk) (muziek) een instrument op de juiste toonhoogte brengen
- Het orkest stemt altijd op de a van de hobo.
- (overgankelijk) iemand een bepaald gevoel geven
- Dat stemde hem een stuk vriendelijker.
Synoniemen
- [2] afstemmen
Vertalingen
1. deelnemen aan een verkiezing
2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
3. iemand een bepaald gevoel geven
Zelfstandig naamwoord
stemmen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stem
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.