spugen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spu·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| spugen /'spy.ɣə(n)/ |
spoog spuugde /'spox/, /'spyɣ.də/ |
gespogen gespuugd /ɣə.'spo.ɣə(n)/ /ɣə.'spyxt/ |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
spugen
- (inergatief) speeksel uit de mond doen uitschieten
- Hij kreeg van z'n moeder straf omdat hij op de grond spuugde.
- (inergatief) (eufemisme) maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
- De jongen spuugde over de rand van het schip.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- gespuug, spuugbak, spuugdoek, spuugdrank, spuuglelijk, spuuglok, spuugsel, spuugslang, spuugzak, spuugzat