spuwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spu·wen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| spuwen /'spyʋə(n)/ |
spuwde /'spyʋdə/ |
gespuwd /ɣə'spyʋt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
spuwen
- (inergatief) speeksel met vaart buiten de mond doen komen
- Hij spuwde op de grond van minachting.
- (overgankelijk) water of ander materiaal met vaart naar buiten doen komen
- De geiser laat dagelijks veel water naar buiten spuwen.
Synoniemen
- [1] spugen