spuwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spu·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spuwen
/'spyʋə(n)/
spuwde
/'spyʋdə/
gespuwd
/ɣə'spyʋt/
zwak -d volledig

Werkwoord

spuwen

  1. (inergatief) speeksel met vaart buiten de mond doen komen
    Hij spuwde op de grond van minachting.
  2. (overgankelijk) water of ander materiaal met vaart naar buiten doen komen
    De geiser laat dagelijks veel water naar buiten spuwen.
Synoniemen