braken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bra·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| braken |
braakte |
gebraakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
braken
- (overgankelijk) het verwijderen van voedsel en/of andere stoffen uit de maag via de mond en soms de neus.
- Zij moest braken van die stinkende geur.
- (overgankelijk) na het roten kneuzen of breken van vlas of hennep
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen
1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| breken |
braken
- meervoud verleden tijd van breken
- Wij braken.
- Jullie braken.
- Zij braken.
- Wij braken.