schreeuw
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /sχrɪːw/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /sxrew/
Woordafbreking
- schreeuw
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schreeuw | schreeuwen |
| verkleinwoord | schreeuwtje | schreeuwtjes |
Zelfstandig naamwoord
schreeuw m
- een luide (uit)roep, vaak geassocieerd met angst, pijn, schrik of woede
- Hij gaf een schreeuw van pijn toen hij door de vallende steen geraakt werd.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- schreeuwarend, schreeuwbek, schreeuwekster, schreeuwer, schreeuwerd, schreeuwlelijk, schreeuwlelijkerd, schreeuwmuil, schreeuwpartij, schreeuwsmoel, schreeuwvogel, schreeuwuil
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schreeuwen |
schreeuw
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schreeuwen
- Ik schreeuw.
- gebiedende wijs van schreeuwen
- Schreeuw!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schreeuwen
- Schreeuw je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.