angst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Angst

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • angst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord angst angsten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

angst m

  1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
    Mijn hart bonst van de angst.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • angst
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

angst

  1. enig in de opvolgende geijkte termen.
Jemandem ist angst (und bange). / Jemandem ist es angst und bange.
  • Iemand is bang
Jemandem wird angst (und bange). / Jemandem wird es angst und bange.
  • Iemand wordt bang.


Engels

Uitspraak
  • IPA: /æŋkst/

Zelfstandig naamwoord

angst

  1. angstgevoel, levensangst.